-
PER295
De vragen van de farizeeën en de herodianen
In de Tempel van Jeruzalem proberen de sadduceeën Jezus in de val te lokken met een vraag over de opstanding, waarin een vrouw voorkomt die zeven mannen had. Jezus antwoordt door hun onwetendheid over de Schriften en de kracht van God aan het licht te brengen: in het toekomstige leven trouwt men niet meer. Hij bewijst de opstanding uit de Tora door Exodus 3.6 aan te halen: God is een God van levenden, niet van doden. Zijn tegenstanders worden tot zwijgen gebracht.
Markus 12.18-27 (De Heilige Schrift 1917) :En de Sadduceen kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende:Meester! Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijn broeder zaad verwekken.Er waren nu zeven broeders, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na.De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde desgelijks.En al de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven.In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van dezen zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad.En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods?Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn.Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs?God is niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org